Skip to main content

Full text of "De Islam in Nederlandsch-Indië [microform]"

See other formats


) ) r D 



■> * » » ' 



3 .i '. : 1 



C' f ^ 1 



3 .) 5 1 



3 1 » f 1 



tï ^ » • » I ■. ,ï ■) 

3 I » .' ) J • I f .1 ; 



DE ISLAM IN NEDERLANDSCH-INDIE 



DOOR 



Dr. C. SNOUCK HURGRONJE 



Hoogleeraar aan de Rijks-Universiteit te Leiden 



j-^-^ V 



t f 
■ t 
I 1 ( 



II > r t 
«111 >i 



1 • 
i • 

« I t 



I • • * * 






l I. Toen de Mongolenvorst HOELAGOB in 1258 
na Chr. Bagdad verwoestte, dat vijf eeuwen lang de 
hoofdstad van den Islam geweest was, verdween zelfs 
de schijn der staatkundige eenheid van de Mohamme- 
daansche gemeente. Slechts ongeveer een halve eeuw 
vóór dat gedenkwaardige tijdstip was de Islam langzaam 
aan begonnen, in de eilanden van den Oost-Indischen 
Archipel door te dringen. Geen staatsgezag had aan 
deze beweging eenig deel; de geleidelijke bekeering der 
kustlanden van Soematra, van geheel Java, der randen 
weer van Borneo en Celebes, en van tal van kleinere 
eilanden was in de eerste plaats het werk vanMoham- 
medaansche kooplieden en kolonisten uit Westelijker 
landen, en zij werd en wordt nog voortgezet door de 
geïslamiseerde Inlanders zelf, die deels van het kust- 
gebied uit naar de binnenlanden, deels naar naburige 
eilanden hunne nieuwe leer door aantrekking of door 
geweld uitbreidden. 

Gedateerde grafschriften, die Inlandsche overleveringen 
bevestigen, korte aanteekeningen van den Venetiaan 
Marco Polo uit de 13de, eene uitvoerige beschrijving 
van den Arabier IBN Battoetah uit de 14de eeuw 
maken ons bekend met het Mohammedaansche rijk 
Pasè op Soematra's Noordkust. Van de islamiseering 
van Minangkabau, Palembang, Djambi en de overige 
kustlanden van dat eiland is ons het begin niet uit zoo 



betrouwbare bronnen bekend. Op Java was de vat van 
het Hindoerijk Madjapahit, omstreeks 1518 na Chr., 
het eindresultaat van een langdurigen strijd tusschen 
Hindoeïsme en Islam; nog in de 1 6de eeuw ontstonden 
hier de Mohammedaansche rijken van Mataram, Banten 
en Tjirebon, die geleidelijk de gansche bevolking tot 
Mohammedanen maakten. Voor de kennis van de 
bijzonderheden betreffende het eerste indringen van den 
nieuwen godsdienst in de overige eilanden van den 
Archipel beschikken wij meestal slechts over Inlandsche 
bronnen, waarin legende de plaats der historie, mirakelen 
de plaats der gebeurtenissen innemen en alle chrono- 
logie pleegt te ontbreken. De hoofdmotieven dier 
legendarische bekeeringsverhalen zijn overal vrijwel 
dezelfde. Een Mohammedaansch heilige, liefst een uit 
het stamland van den Islam, uit Arabië zelf, krijgt in 
een visioen van den Profeet de opdracht, zich te be- 
geven naar het heidensch gebied, dat aan de beurt is. 
Daar wordt aan enkelen zijne komst door droomge- 
zichten ofandere voorteekenen aangekondigd. Hij maakt 
de reis erheen in een oogwenk, zonder zich door de 
gewone bezwaren van tijd of ruimte belemmerd te zien. 
Door eenige verbijsterende wonderen, die heidensche 
tooverij vergeefs beproeft na te bootsen, toont hij de 
meerderheid van Mohammed's leer boven het veel- 
godendom aan, en weldra schaart zich eene geloovige 
kustbevolking achter den vromen vreemdeling om voor 
het eerst eene Moslimsche godsdienstoefening te ver- 
richten. Door heiligen oorlog of ook door prediking 
breiden dan de nieuwbekeerden het geloof al spoedig 
onder hunne rasgenooten uit. 

Al kunnen wij nu die naïeve verhalen niet door 
nuchtere historische gegevens vervangen, toch weten 
wij wel, hoe het in hoofdzaak is toegegaan, daar het 
proces zich ook in de ons bekende tijdperken telkens 
herhaalt. Mohamnciedaansche kooplieden en geluk- 
zoekers vestigen zich onder de heidensche bevolking. 

380 



5 

De Moslim onderscheidt zich meestal ook zonder heilig 
of bijzonder vroom te zijn, door neiging tot verbreiding 
van zijn geloof, vooral onder minbeschaafden. Reeds 
zijn eigen belang brengt dit mede; hij wil zich een 
eigen milieu, in de eerste plaats een eigen gezin scheppen. 
Eene vrouw vindt hij in die omgeving zonder veel 
moeite, maar met eene heidensche kan hij geen wettige 
verbintenis aangaan. Hij lijft haar dus eerst, door haar 
de woorden der geloofsbelijdenis te laten nazeggen, bij 
de gemeente van MOHAMMED in, en licht overreedt hij 
ook hare naastbestaanden om dat voorbeeld te volgen. 
Het gaat zoo gemakkelijk, zonder sacramenten of uit- 
voerige ceremoniën, en de heidenen, die dezen stap 
doen, verlustigen zich daarna al spoedig in het bewust- 
zijn van te behooren tot den kring der vreemde bij- 
woners, die zij in menig opzicht als hunne meerderen 
beschouwen. De kring breidt zich uit en langzamer- 
hand ontstaan op deze wijze Mohammedaansche dorpen, 
landstreken, rijkjes. In den Indischen Archipel waren' 
twee omstandigheden in het voordeel eener spoedige 
verdere uitbreiding van den Islam. Een groot deel 
der bevolking dezer eilanden stond nog op dien lagen 
trap van geestelijke ontwikkeling, dien men, zij het in 
bijzonderheden zeer verschillend, bij de Arabieren van 
Mohammed's tijd en bij de bevolking van Centraal- 
Afrika nog in onze dagen waarneemt. Bij anderen 
had wel de cultuur van Hindoestan haren invloed ge- 
oefend, maar daaraan kreeg, in verband met het kasten- 
stelsel, de groote menigte slechts in geringe mate deel, 
terwijl de Islam aan de ontwikkeling der individueele 
krachten zijner belijders volkomen vrij spel laat. Het 
duurde dan ook niet lang of geheel Java was, met niet 
noemenswaarde uitzonderingen, voor den Islam ge- 
wonnen, nadat de al te zeer aan het Hindoeïsme ge 
hechte elementen naar Bali waren uitgeweken. Op de 
overige, dun bevolkte, groote eilanden werkte het proces 
zeer veel minder snel door. Daar bleven de heidensche 

381 



stammen der binnenlanden, zooals de Bataks op Soematra, 
de Dajaks op Borneo, de Alfoeren op Celebes voor de 
Mohammedaansche kustrijken de mindere menschen- 
soort, tot welker exploitatie de Islam met zijne leer 
van den heiligen oorlog hun een welkom voorwendsel 
leverde; zij onderwierpen ze aan dikwijls zware heffingen, 
haalden er hunne slaven, beheerschten ze zonder ze te 
besturen of op te voeden. Slechts bij uitzondering 
beijverden zij zich opzettelijk om hen te bekeeren, maar 
ook zonder dat bewoog de zucht naar verlossing uit 
den knechtenstaat vele heidenen om door het uit- 
spreken van de twee zinnen der geloofsbelijdenis, in 
den regel gepaard met besnijdenis en ontzegging van 
het genot van varkensvleesch, zich bij de heerschende 
groep in te lijven. 

Zoowel op de genoemde groote als op verschillende 
kleinere eilanden is deze soort van inwerking van den 
Islam op het inheemsche heidendom nog in vollen 
gang, sedert de komst der Europeanen en vooral in de 
laatste eeuw in concurrentie met de Christelijke zending. 

Ruw schattend kan men het aantal Mohammedanen 
van den Indischen Archipel op 35 millioen stellen, 
waarvan 30 millioen op Java. Het zou een kinderachtig 
bedrijf zijn, dit getal te verminderen met hen, die wat 
hunne kennis of hunne practische beoefening van den 
Islam betreft, naar een of anderen, altoos willekeurigen 
maatstaf gemeten, te licht bevonden worden. Zulk eene 
methode zou bij verdere toepassing tot de uitkomst 
voeren, dat er weinige of geene Inlandsche Christenen 
zijn en dat het statistisch als juist aangenomen getal 
der belijders van het Christendom over de geheele 
wereld met vele milioenen verminderd moest worden. 
Wel is het daarentegen nuttig zich er ter dege reken- 
schap van te geven, dat men het geestelijk, het huiselijk 
en het maatschappelijk leven der Indonesiërs volstrekt 
niet afdoende gekenschetst heeft door te verklaren, dat 
zij Mohammedanen zijn, maar dit geldt omtrent alle 

382 



wereldgodsdiensten, en het geldt misschien van de 
Mohammedanen in zeer bijzondere mate. Deze gods- 
dienst heeft voor de inwerking op het leven en denken 
zijner belijders minder tijd 'gehad dan de andere, en 
hij heeft er niet de doelmatigste middelen voor gezocht ; 
de Islam heeft altijd met meer ijver gestreefd naar 
uitbreiding van zijn gebied dan naar intensieve bewer- 
king van het verworvene, 

Uit Hindoestan was reeds lang vóór het ontstaan 
van den Islam die machtige stroom van kolonisatie 
naar Java en omliggende eilanden uitgegaan, die eeuwen- 
lang het karakter der beschaving dezer landen zou 
bepalen en waarvan de nawerking zich nu nog aller- 
wegen doet gevoelen. Nadat een deel der Hindoes den 
Islam had aangenomen, namen nu ook Moslims uit 
Voor-Indië ijverig deel aan het verkeer met en de 
emigratie naar den Archipel, en zij waren het, die den 
Mohammedaanschen godsdienst hier ingang hebben 
verschaft. Het moge waar zijn, dat reeds te voren 
andere Moslimsche volken handelswaren uit Oost-Indië 
haalden en er kleine nederzettingen vormden.; geeste- 
lijke invloed van blijvende beteekenis is hiervan stellig 
niet uitgegaan. De Islam, zooals de Indonesiërs dien 
kregen, had derhalve reeds een aanpassingsproces aan 
het Hindoeïsme achter den rug, zoodat het hem des 
te gemakkelijker viel, zich op Java en Soematra nog- 
maals aan een verbasterd Hindoeïsme aan te passen. 
Van dezen Voor-Indischen oorsprong vertoont de Oost- 
Indische Islam nog steeds onmiskenbare sporen. De in 
de Inlandsche talen bewerkte populaire legenden omtrent 
den tijd van den Profeet en van zijne eerste [opvolgers 
staan niet alleen van de historische waarheid, maar 
ook van de Arabische overleveringen zeer ver af; men 
vindt de origineelen ervan in Hindoestan terug. Gelijk 
in deze verhalen, zoo vindt men ook in sommige ge- 
bruiken van Indonesische Mohammedanen een soort- 
gelijken invloed van het Sji'itisme als bijv. aan de kusten 

383 



8 



van Malabar en Koromandel, waar overigens, evenals in 
Nederlandsch-Indië, de Islam in zijn Soennitischen, 
orthodoxen vorm beleden wordt, en wel, wat de uit- 
l'Êggiog der wet betreft, naar de Sjafi'itische school. 
Daar en hier eene groote voorliefde voor mystieke be- 
spiegeling, die bij de hooger ontwikkelden vrij bewust 
pantheïstisch wordt, en bij de lagere klassen samengaat 
met velerlei grof bijgeloof. 

De niet te onderschatten invloed der Arabieren is 
gevolg, niet oorzaak geweest [van de bekeering der 
Indonesiërs tot den Islam. Sedert de 17e eeuw nam 
het verkeer met de heilige steden Mekka en Medina 
gaandeweg toe en studeerde een steeds grooter aantal 
„Djawa", zooals men hen daar zonder onderscheid 
noemt, in Mohammeds geboorteplaats. De van daar 
teruggekeerden ijverden niet zelden tegen allerlei vroeger 
uit Hindoestan geïmporteerde denkbeelden en gebruiken, 
én de uit het arme Zuid-Arabische landschap Hadramaut 
naar de handelsplaatsen van Oost-Indië immigreerende 
Arabieren oefenden in dezelfde richting een zekeren 
invloed. Waar deze werkingen zich het krachtigst deden 
gelden, verloor het leven der Inlandsche Mohamme- 
danen veel van zijne bekoorlijke naïveteit, en nam het 
een somberder, stroever, vaak ook minder verdraagzaam 
karakter aan. 

§ 2. In No. 6 van serie II werd getracht, een over- 
zicht te geven van leer en practijk van den Islam in 
het algemeen; in aansluiting daaraan volge hier nu 
een en ander ter kenschetsing van het Mohammedanisme 
zooals het in Nederlands Verre Oosten beleden en 
beleefd wordt. 

In verband met de omstandigheid, dat de Islam in 
Oost-Indië niet door verovering, maar om zoo te zeggen 
van onderaf werd ingevoerd, werd het bedehuis, de 
moskee (masdjid, mesegit,, enz.) hier meer nog dan 
in de meeste andere Mohammedaansche landen, het 

38 



middelpunt van den invloed, dien deze godsdienst op 
het geheele leven oefent. In de voornaamste zetel van 
bestuur, op Java in de regentschapshoofdplaatsen, in 
Atjèh op de hoofdplaatsen van moekims en elders in 
daarmee overeenkomstige bevolkingscentra vindt men 
hoofdmoskeeën, dat zijn zulke, waar de Vrijdagsdienst 
gehouden wordt ; soms is dit ook Op Javaansche districts- 
hoofdplaatsen het geval, maar anders vindt men daar 
toch moskeeën van den tweeden rang, waar de vijf 
dagelijksche godsdienstoefeningen verricht worden door 
de kleine minderheid, die tijd en lust heeft om zich 
daarheen te begeven, en waar eene grootere schare 
zich op de beide officieele jaarlijksche feesten van den 
Islam vereenigt. 

Kenschetsend voor den bouwtrant der Oost-Indische 
moskeeën is bovenal hét gebroken dak, bestaande uit 
twee of vier lagen, gekroond door eene zelfstandige 
spits ; het dekmateriaal was vroeger algemeen het plant- 
aardige, dat plaatselijk voor de huisdaken gebezigd 
werd, bladeren of vezels van verschillende palmsoorten 
of dakpannen van hout; in den laatsten tijd gebruikt 
men meer en meer gebakken dakpannen. Bij uitzon- 
dering vindt men bij enkele groote moskeeën minarets, 
die eigenaardige torens met eene of meer gaanderijen 
om het hoogste gedeelte, van waar de moe'addins op 
de vastgestelde tijden de plechtige formules van oproeping 
ter godsdienstoefening doen weerklinken en die in 
Arabische of Turksche landen aan geen voornaam 
bedehuis plegen te ontbreken. ïn Oost-ïndië zingen de 
„bil al 's" (zoo genoemd naar den eigennaam van den 
Abessiniër, die voor den Profeet als oproeper fungeerde), 
modins of hoe zij verder heeten mogen, hunnen 
oproep van uit het moskeedak, maar laat men dezen 
voorafgaan door krachtige slagen op eene trom (b e d o e g 
of t a b o e h, een hollen, met bufFelvel bespannen boom- 
stam), die zich onder een afzonderlijk afdak op het 
erf der moskee bevindt. Op zulk een erf treft men 

385 



10 



verder hetzij eene leiding van levend water of een door 
moskeebedienden geregeld gevuld waterréservoir aan 
om de geloovigen in de gelegeniieid te stellen, door 
de voorgeschreven wasschingen hunne ritueele reinheid 
te herkrijgen, wanneer zij die verloren mochten hebben, 
en althans hunne voeten vóór het betreden der moskee 
te zuiveren van de onreinheid, die zij op weg derwaarts 
hebben opgedaan. 

Het gebouw zelf bestaat uit eene voorgalerij (soe- 
rambi) en, de hoofdruimte, in welker westelijken, ge- 
woonlijk tegenover den hoofdingang "gelegen muur eene 
nis (mihrab) de richting (kiblat) naar Mekka aan- 
geeft, die de geloovigen bij hunne ritueele godsdienst- 
oefening hebben in te nemen. Gewoonlijk in de nabijheid 
van die mihrab staat het spreekgestoelte (mimbar, 
imbar), waarin de chatib (katip, ketip) des 
Vrijdags en op de beide officieele feestdagen eene vaak 
voor hem evenals voor zijn gehoor onverstaanbare 
Arabische preek (c h o e t b a h) voordraagt. Een aantal 
lange, smalle matten en tapijten worden vóór de diensten 
over de breedte der moskee uitgespreid om de vromen 
in rijen geschaard daarop te doen plaats nemen; na 
gebruik rolt men ze op en legt ze ter zijde. In afge- 
schoten ruimten of kasten of ook wel in bijgebouwtjes 
op het erf der moskee bewaart men eetserviezen, die 
voor gemeenschappelijke feestmaaltijden, vooral bij het 
Mauloedfeest, den gedenkdag der geboorte en van 
den dood van den Profeet, maar ook bij menige andere 
gelegenheid dienst doen, verder boeken,, zooals Qoerans, 
die voor den dag gehaald worden wanneer een gemeen- 
schappelijk reciet aan de orde is, spreekverzamelingen, 
werken over de Mohammedaansche wet, in dichtmaat 
of in gerijmd proza vervatte legenden over het leven 
of over de hemelvaart van Mohammed, formulierge- 
beden enz. 

Het personeel eener moskee bestaat zelden uit minder 
dan vier : een imam, die als vast voorganger bij de 

386 



II 



dagelijksche, wekelijksche en jaarlijksche godsdienst- 
oefeningen (salat's, sembahjang's) optreedt, een ' 
c h a t i b, die de Vrijdags- en feestpreeken voordraagt 
en ook wel een deel van het werk des imams over- 
neemt, een b i 1 a 1, die de " oproepingen (a d a n, bang) 
tot de gemeenschappelijke diensten afzingt, en minstens 
een bediende (op Java m e r b o t) voor het onderhoud 
van het gebouw en zijn meubilair, het watervullen, en 
andere materieele bemoeienissen. Dikwijls is het aantal 
beambten of bedienden veel grooter en stijgt het tot 
veertig of meer, niet alleen omdat elke functie afwis- 
selend door verschillende personen wordt waargenomen, 
maar ook omdat hier te lande de bemoeienis van het 
moskee-personeel zich veel verder pleegt uit te strekken 
dan tot de zorg voor den openbaren eeredienst. 

Priesters of geestelijken zijn die i m a m ' s c h a t i b ' s, 
enz. hier evenmin als in andere Mohammedaansche 
landen, da^r de Islam nu eenmaal geene sacramenten 
noch officieele zielzorgers kent; builen de moskee gaat 
hun het godsdienstige leven hunner geloofsgenooten 
niet meer aan dan ieder ander. Maar zij verbinden hier 
met hun moskeeambt gewoonlijk de functies van den 
q a d h i, den rechter volgens de Mohammedaansche wet, 
voor zoover deze ten minste worden uitgeoefend. Deze 
laatste beperking ^egt zeer veel. Wij weten immers, dat 
het qadhi-ambt, oorspronkelijk bestemd om alle rechts- 
geschillen volgens de bepalingen der geopenbaarde wet 
te beslechten, zijne feitelijke bevoegdheid in alle Moham- 
medaansche landen in den loop der tijden steeds meer 
zag besnoeien, zoodat eindelijk deze rechtspraak overal 
als een „geestelijke" naast de veel meer omvattende 
wereldlijke kwam te staan, beperkt tot de behandeling 
van zaken betreffende het familierecht, de godsdienstige 
stichtingen, en soms nog enkele andere onderwerpen. 
Is dit zoo in landen onder Mohammedaansch bestuur, 
het spreekt vanzelf, dat diezelfde grenzen den maximalen . 
omvang aanduiden van het gebied, dat onder de heer- 

387 



12 



schappij van de Moslimsche wet kwam te staan in 
landen, waar de Islam zóó laat zijn intocht deed, waar 
hij bovendien eerst allengs van de lagere klassen der 
bevolking in de hoogere doordrong, en waar weldra 
daarop Europeesch gezag zich deed gelden. 

Daar nu in den, aanvang der islamiseering van de 
Archipel-landen de eenigszins wetgeleerde geloovigen 
in den regel onder het moskeepersoneel te vinden 
waren, kwam hier de „geestelijke rechtspraak" in nauw 
verband met de moskee te staan, en dit bleef zoo, ook 
nadat allen, bestuurders zoowel als bestuurden, den 
Islam hadden aangenomen. Op Java werd dus de 
soerambi de rechtszaal voor die geschillen, van welker 
(beslechting de godsdienstige wet zich had weten meester 
te maken; in de eene streek betrof dit een grooter 
"deel van het recht dan in de andere, maar huwelijks-, 
-familie- en erfrechtszaken werden er nagenoeg overal 
toe gerekend. In de soerambi hield en houdt de 
j) a n g h o e 1 o e, de chef van de moskee, meestal des 
Donderdags of ook des Maandags zitting, omgeven van 
-eenige deskundigen uit zijn personeel, om de soms 
reeds eenigen tijd te voren aan schrijvers of andere 
ondergeschikten medegedeelde zaken te onderzoeken 
en zoo mogelijk dadelijk af te doen. 

Het Europeesche bestuur kende vroeger al deze 
dingen slechts zeer oppervlakkig, en, gelijk 'het ten 
onrechte in de moskeebeambten eene soort van priesters 
zag, zoo meende het, dat de panghoeloe met zijne 
ondergeschikte bijzitters eenen raad van rechters vorm- 
den, en sprak men officieel van priesterraden. In de 
regeling dezer rechtspraak, die nu ruim dertig jaren 
geleden tot stand gekomen is, heeft dit misverstand 
zijn beslag gekregen, zoodat sedert dien tijd in de 
soerambi's raden zitting houden, uit drie tot acht door 
de Regeering benoemde leden samengesteld en door 
den panghoeloe voorgezeten, 



388 



13 

§ 3« De meeste zaken, die in de soerambi ter be- 
handeling komen, worden door vrouwen voorgebracht, 
die zich door hare echtgenooten in een of ander opzicht 
tekort gedaan achten. Zij verlangen, dat de rechter óf 
den man tot betei:e nakoming zijner verplichtingen 
nope óf haar den weg wijze om van den huwelijksband 
ontslagen te worden. In de Moslimsche wet is de vrouw 
zeer afhankelijk van haren echtgenoot, en hare positie 
tegenover een onwilligen man niet sterk. Hij heeft te 
allen tijde de macht, zich door verstooting (t a 1 a q) 
van de vrouw, die hij moe is, te ontdoen, maar wanneer 
hij zijne vrouw op de ergerlijkste wijze verwaarloost, 
kan zij hem toch tot die losmaking van den huwelijks- 
band niet dwingen. Zij kan hem voor het uitspreken 
van den talaq eenen prijs bieden, maar daartoe moet 
zij bemiddeld zijn, en als hij weigert, is zij ten einde 
raad. Nu heeft echter öp Java een door edict van 
vroegere vorsten versterkt gebruik voor de vrouw de her- 
krijging harer vrijheid vergemakkelijkt; de man wordt 
er namelijk onmiddellijk na het sluiten van een huwelijks- 
contract op eene wijze, die volgens den Islam eigenlijk 
maar half door den beugel kan, genoopt tot het uit- 
spreken eener voorwaardelijke 'verstooting, die in volle 
werking treedt, zoodra hij in bepaalde, in de formule 
opgesomde verplichtingen is tekort geschoten, en de 
vrouw, hiermee geen genoegen nemende, daarvan aan- 
gifte doet bij den geestelijken rechter. Zulke aangiften 
(ra pa') nu zijn verreweg de gewoonste zaken, die de 
panghoeloe met zijne raadsleden te behandelen krijgt. 
Ook in andere vormen maken vrouwen in de soerambi 
eischen tot ontbinding des huwelijks aanhangig, of wel 
zij roepen de hulp des panghoeloes in om den echt- 
genoot tot betere voorziening in hare behoefte aan 
kleeding, huisvesting of voeding te vermanen. De schei- 
ding van den echtelijken inboedel na ontbinding van 
een huwelijk kan eveneens aanleiding geven tot moei- 
lijkheden, die de „priesterraad" moet helpen oplossen. 

389 



14 

Wel kent de Islam geene gemeenschap of vermenging 
der goederen van echtgenooten, maar op Java neemt 
men gewoonlijk aan, dat het huwelijk de stilzwijgende 
overeenkomst tot gemeenschap der staande het huwelijk 
verkregen goederen insluit, die dan na ontbinding van 
den echt door sterfgeval of echtscheiding in eene 
plaatselijk verschillende verhouding tusschen de echt- 
genooten of hunne rechtverkrijgenden verdeeld moeten 
worden. 

Zoo zijn er nog tal van andere familiegeschillen, 
waarin een vonnis van den priesterraad de beslissing 
moet geven, en daaronder hebben die betreffende het 
erfrecht de zeer bijzondere belangstelling van de rechters 
in verband met de voor hen daaraan verbonden voor- 
deden. Deze rechters genieten namelijk als zoodanig 
geene andere inkomsten dan de kosten, die zij hunnen 
justiciabelen in rekening brengen, en in den regel be- 
dragen die niet veel, want gegoede Javanen zijn zeld- 
zaam. Bij de behandeling van geschillen over de ver- 
deeling van nalatenschappen hebben nu de geestelijke 
rechters der Mohammedanen in de meeste lauden van 
den Archipel de gewoonte aangenomen, als honorarium 
10 7o van de getaxeerde waarde der verdeelde goederen 
in rekening te brengen. Deze heffing van de oesoer 
(het tiende deel) heeft aanleiding gegeven tot velerlei 
misbruik, zooals het uitlokken van geschillen, het op- 
dringen van bemoeienis met de verdeeling, en meer 
dan eens heeft de Regeering moeten ingrijpen om de 
vrijheid der Inlanders tot verdeeling der sterfboedels 
met onderling goedvinden te handhaven. Die vrijheid 
wordt dan vaak zoo gebruikt, dat er geene eigenlijke 
verdeeling plaats vindt, maar bijv. na het sterven van 
een familiehoofd het door de natuur der zaak daartoe 
aangewezene familielid de baten en de plichten van 
den overledene eenvoudig voor zijne rekening neemt. 
Waar niemand zich daartegen verzet, heeft ook de 
Moslimsche wet hierop weinig aan te merken. 

390 



15 

Wat w a k a p-instellingen betreft, d. z. goederen in 
de doode hand, waarvan de stichters in den regel het 
genot verzekerd hebbeen aan bedehuizen, godsdienst- 
scholen of begraafplaatsen, heeft de geestelijke rechter 
niet alleen de daarbij voorkomende geschillen volgens 
de Moslimsche wet te beslechten, maar ook in de 
richtige administratie te voorzien, zoover zulks niet op 
afdoende wijze door den stichter is geschied. Dezelfde 
autoriteit heeft in bepaalde gevallen voogden over 
minderjarigen aan 'te stellen, zelf als w a l i (dus als over- 
heidswali, d. i. wali ha kim) aan vrouwen den voor 
haar onmisbaren bijstand te verleenen tot het sluiten 
van een huwelijk, wanneer de personen, diè krachtens 
bloedverwantschap met haar daartoe aangewezen zouden 
zijn (de wali nasab, zooals men ze noemt), ontbreken 
of zonder wettige reden weigeren, die taak te vervullen. 

De dusver opgesomde werkzaamheden, die onder de 
Mohammedanen van Oost-lndië veelal aan het moskee- 
personeel en zijnen directeur zijn opgedragen, vallen 
meerendeels binnen de grenzen der taak van den qadhi, 
zooals de Moslimsche wet die omschrijft. Ook het toe-^ 
zicht op de naleving der godsdienstige wet bij de 
sluiting van huwelijkscontracten en bij de vrijwillige 
ontbinding van huwelijken wordt alom in den Archipel 
door het moskeepersoneel uitgoefend. Zulk toezicht 
schrijft de Islam wel niet voor, maar het bestaat in 
een of anderen vorm in alle Moslimsche. landen, en de 
onbekendheid van de óvergroote meerderheid der be- 
volking met de ter zake geldende bepalingen en in 
acht te nemen vormen, maakt het inderdaad onont- 
beerlijk. Op Java en Madoera wordt dit toezicht door 
de beambten van districts- en onderdistrictsmoskeeën 
uitgeoefend, daar het ressort eener regentschapsmoskee 
om allerlei practische redenen te groot zou zijn. De 
desa-godsdienstbeambte, in ons ofïicieele spraakgebruik 
alweer „desapriester" genoemd, bewijst daarbij de 
noodige diensten doof begeleiding der trouwlustigen of 

391 - 



i6 



dergenen, die aangifte van huwelijksontbinding moeten 
doen, naar de districts- of onderdistrictshoofdplaats en 
door het geven van de noodige inlichtingen over hen 
aan de daar bescheiden huwelijksbeambten. Op Soematra 
en andere eilanden is dikwijls het geheele toezicht aan 
den dorpsbeambte opgedragen. Voor enkele jaren heeft 
de Regeering door uitvaardiging eener „huwelijksor- 
donnantie" getracht, aan dit op ongeschreven volks- 
recht gebaseerde toezicht de noodige vastheid en een- 
vormigheid te geven. Die ordonnantie geldt voor Java 
en Madoera, maar er wordt op gewerkt om in denzelfden 
geest in de Buitenbezittingen regelingen in het leven 
te roepen ter verhooging der rechtszekerheid in het 
Inlandsche familieleven en ter voorbereiding van iets, 
dat gelijkt op burgerlijke standsregisters voor Inlanders. 
Om een huwelijkscontract tusschen Javanen tot stand 
te brengen begeven zich de beide partijen, begeleid 
door de betrokken „dorpsgeestelijken" naar den huwe- 
lijksbeambte, gewoonlijk tevens panghoeloe der moskee 
van het district of onderdistrict, uit wiens personeel 
twee daarvoor naar de Moslimsche wet min of meer 
geschikte personen als getuigen fungeeren. Nadat uit 
de inlichtingen der dorpsgeestelijken gebleken is, dat 
er geene aan de godsdienstige wet te ontleenen bezwaren 
tegen de sluiting van het contract bestaan, laat de 
huwelijksbeambte zich gemakshalve door den verwant- 
schaps-wali der bruid machtigen om in zijne plaats op 
te treden, waardoor de zaak vlugger afloopt dan 
wanneer hij dezen de vereischte formules moest voor- 
zeggen. Na eene korte stichtelijke inleiding neemt hij 
den bruidegom bij de hand en sluit met dezen in den 
voorgeschreven vorm het contract, waarop hij nog een 
gebed om zegen laat volgen. Eindelijk laat hij den 
bruidegom de hierboven (blz. 13) genoemde voorwaar- 
delijke verstooting (ta'liq, d. i. ophanging, namelijk 
ophanging van den t a 1 a q aan eene voorwaarde ; ook 
djandji dalem, door de vorsten verordende belofte 

392: 



17 

genoemd) uitspireken, waardoor de vrouw in eene betere 
positie komt dan die de Moslimsche wet zonder meer 
haar verzekeren zou, en doet hij van alles de noodige 
aanteekening in het daarvoor bestemde register. 

Er is nog een onderwerp, waarin het moskeepersoneel 
veel belang stelt: de opbrengst der zakat, die gods- 
dienstige belasting, die in Nederlandsch-Indië in hoofd-, 
zaak zou neerkomen op de tienden van het veldgewas. 
Natuurlijk is hier nog minder dan in Mohammedaansch 
bestuurde landen sprake van eene inning van overheids- 
wege der „djakat", zooals men den naam hier uit- 
spreekt. Wel is men er in sommige streken, bijv. het 
Soendasche gedeelte van Java, in vroegere jaren in 
geslaagd, eene geregelde heffing te organiseeren, en 
werken daar die regelingen ook nu nog in de practijk 
na, maar meer en meer dringt de overtuiging door, 
dat in de tegenwoordige omstandigheden de djakat 
alleen te beschouwen is als een in volkomen vrijheid 
vervulde godsdienstplicht, en in vele gewesten vindt de 
opbrengst slechts zeer sporadisch plaats. Op West-Java 
en elders, waar de djakat wat beteekent, dankt zij dit 
voor een goed deel aan de werkzaamheid der moskee- 
beambten, die hierbij allerminst belangeloos te werk 
gingen. Als deskundigen wisten zij zich de inning en 
verdeeling te verzekeren, waarvoor hun naar de gods- 
dienstige wet een deel der opbrengst toekwam; verder 
liet het personeel zich wegens zijne toewijding aan den 
eeredienst, die het belette, winstgevende beroepen uit 
te oefenen, in hoedanigheid van armen en behoeftigen 
ruim bedeelen, en zoo waren er allerlei middelen of 
voorwendsels, die medewerkten om van de djakat in 
de praktijk eene soort van inkomst te maken voor die 
categorie van personen, die het Europeesche spraak- 
gebruik met den naam van Mohammedaansche priesters 
pleegt te bestempelen. 

Men vergete vooral niet, dat dit alles slechts voor 
bepaalde landstreken geldt, terwijl elders de djakat 

393 



i8 



door hen, wier persoonlijke vroomheid hen noopt om 
dien godsdienstplicht te vervullen, gegeven wordt aan 
zulke wetgeleerde of vroom of heilig geachte personen, 
van wier voorspraak bij den Allerhoogste de gevers 
zich zegen beloven. Ook kunnen bijzondere omstandig- 
heden tijdelijk aan de djakat-opbrengst eene bepaalde 
richting geven; zoo diende in Atjeh jarenlang déze, 
toen onder leiding der meest befaamde wetgeleerden 
ingezamelde, belasting ter vorming van locale kassen 
ter bestrijding der kosten van den heiligen oorlog, 
voor welk doel inderdaad de Moslimsche wet in bepaalde 
omstandigheden een gedeelte der djakat bestemd wil zien. 

§ 4.'' De bespreking van hetgeen zooal tot den werk- 
kring van moskeebeambten in Oost-Indië kan komen 
te behooren, bracht vanzelf mede, dat wij het licht 
lieten vallen op ongeveer alle voor het maatschappe- 
lijke leven belangrijke gedeelten der Mohammedaansche 
wet, die bij de belijders van den Islam daar te lande 
toepassing plegen te vinden. De dikwijls hoogst belang- 
rijke plaatselijke verschillen konden wij slechts nu en 
dan even aanduiden. Waar, gelijk in een groot deel 
van Midden-Soematra, de familie op moederrechtelijken 
grondslag berust, negeert men het Moslimsche erfrecht, 
ofschoon de Islam er overigens met grooten ijver wordt 
beleden. De vermenging, ook door de geestelijke 
rechters, van de Moslimsche wet met inheemsche adat 
vertoont zeer uiteenloopende verhoudingen. De geeste- 
lijke rechtspraak is niet overal zoo onafhankelijk als 
in de Gouvernementslanden van Java; in menig gebied 
hebben de besturende hoofden het heft in handen weten 
te houden. Hier en daar maakt zij eenvoudig deel uit 
van de gewone inlandsche rechtspraak; de zaken, die 
op Java en Madoera voor de „priesterraden", in 
Atjèh vanouds voor de kali's, in de Zuider- en Ooster- 
afdeeling van Borneo voor de m o e f t i 's en elders 
voor soortgelijke rechters gebracht worden, komen dan 

394 



19 

voor dezelfde „rapats" of anders genoemde recht- 
banken, die burgerlijke of strafzaken ter behandeling 
krijgen, al acht men hef advies van Mohammedaansche 
wetgeleerden in het bijzonder bij die geschillen onont- 
beerlijk. 

De Moslimsche Wet, gevloeid uit AUah's openbaring, 
wil in theorie het geheele leven in al zijne uitingen 
knellen in de banden zijner alles regelende bepalingen. 
Nooit en nergens is zij daarin geslaagd, en de eman- 
cipatie der Mohammedanen van hun eigen kanonieke 
recht, hunne Sjar' of Sjari'ah (Indische uitspraak: 
sara' en sari'at of sarèngat) is steeds verder ge- 
gaan. Vorstelijke edicten, oude volksinstellingen, moderne 
wetboeken hebben, zij het met inachtneming van de 
eerbiedigste vormen jegens AUah's woord, de hieruit 
^.fgeleide wetgeving in éen steeds engeren hoek terug- 
gedrongen. In Oost-Indië werd vanouds in de heerschende 
kringen der ^Mohammedanen het recht van bestaan der 
volksinstellingen zelfs theoretisch hoog gehouden. Ter- 
wijl de Sjari'ah zelve leert, dat de Adat, het in- 
heemsche recht, slechts in die exceptioneele gevallen 
aan het woord mag komen, waarin zijzelve ernaar ver- 
wijst, hebben de Oost-Indische belijders van den Islam, 
met uitzondering van de eigenlijke theologen, steeds 
Sjari'ah en Adat naast elkaar gesteld als de beide 
steunpilaren der wereldoorlog, onafscheidelijk verbonden 
als de pupil van het oog met het oogwit, als AUah's 
wezen met Zijne eigenschappen, zooals sommige hunner 
wijzen het uitdrukten. 

Toch oefenen ook hier zelfs die gedeelten der wet, 
dié door geene autoriteit gehandhaafd worden, wel 
degelijk invloed. Vooreerst in de kringen der schrift- 
geleerden, die haar in haren geheelen omvang bestu- 
deeren en wier critiek van bestaande staatkundige en 
maatschappelijke toestanden dus aUicht onder den in- 
vloed komt van haren in wezen raiddeleeuwschen maat- 
staf. Verder ook in de kringen, die onder den invloed 

395 



20 



dier schriftgeleerden komen. Zoo komen bij sommige 
Inlandsche Mohammedanen gemoedsbezwaren voor tegen 
contracten met rentebeding, tegen eiken vorm van ver- 
zekering, daar deze als eene soort van hasard veroordeeld 
wordt, tegen het bekleeden van ambten onder een niet- 
Mohammedaansch bestuur, tegen het volgen der zeden 
en gebruiken van Europeeschen oorsprong. De over- 
groote meerderheid beschouwt echter zulke bedenkingen 
als overdreven en is voor vreemde cultuurinvloeden zeer 
toegankelijk, mits deze niet op bekeering tot een ander 
geloof gericht zijn. 

Zeer ten voordeele eener toenadering der Oost-Indische 
Mohammedanen tot de hedendaagsche internationale 
beschaving strekt de omstandigheid, dat het verkeer 
der beide geslachten hier niet belemmerd wordt door 
inachtneming dier voorschriften van afsluiting en sluie- 
ring der vrouwen, die in de meeste landen van den 
Islam gevolgd worden. Moge al de positie der Inlandsche 
vrouw nog veel verbetering noodig hebben om eene 
krachtige verheffing der Inlandsche maatschappij mogelijk 
te maken, hieraan staan dan toch bij de Nederlandsch- 
ïndische Mohammedanen niet die bezwaren in den weg, 
die men bijv. in Turkije en Egypte ontmoet. 

g 5. Wij leerden de moskee in Indië kennen, niet 
als bedehuis alleen, maar als een middelpunt vanwaar 
uit toezicht wordt geoefend op en leiding gegeven aan 
allerlei levensuitingen der Inlandsche maatschappij, die 
feitelijk aan de regelingen der wet van den Islam onder- 
worpen zijn geraakt. De hieruit voortvloeiende aan- 
rakingen der bevolking met de moskee en met haar 
persooneel zijn echter in hoofdzaak van ambtelijken aard, 
te vergelijken met de verhouding onzer gewone burgers 
tot den rechter, den ambtenaar van den burgerlijken 
stand en dergelijken. Middelpunt van het individueel 
godsdienstig leven zijn de moskeeën in het grootste 
deel van den Archipel voor het gros der bevolking 

396 



21 



niet. Er zijn weliswaar plaatsen, zooals de hoofdplaats 
Palembang, het gewest Banten, sommige deelen der 
Preanger Regentschappen, eenige plaatsen in de Zuider- 
en Oosterafdeeling van Borneo, waar de waarneming van 
de ritueele plichten der Mohammedanen zoo algemeen 
is doorgedrongen dat de kleine luiden en de besturende 
hoofden zich in de moskee evenzeer thuis gevoelen als 
de schriftgeleerden en de vromen van professie, de 
„fijnen" om het zoo eens uit te drukken, maar in de 
meeste streken vormen degenen, die dagelijks, of ook 
maar des Vrijdags en op de officieele feestdagen de 
moskee bezoeken om daar hunne godsdienstoefening te 
verrichten, eene kleine minderheid, die door de rest 
der bevolking min of meer als een afzonderlijke stand 
wordt beschouwd. Vooral op Java is dit het geval. De 
meesten plegen daar hunne sembahjangs vrij regelmatig 
te verzuimen, en voor hen zou het moeielijk zijn, nu 
eens voor e^ne enkele maal de voorschriften der ritueele 
reinheid toe te passen zooals ter voorbereiding dier 
plechtigheid vereischt is en ook de posities en bewegingen 
der sembahjang zelve met eenige juistheid uit te voeren. 

Maar zelfs diegenen, die hunne vijf dagelijksche 
sembahjangs met zekere trouw in acht nemen, plegen 
toch zelden of nooit daarvoor ten bedehuize te gaan, 
en zouden zich ervoor schamen, dit anders dan bij zeer 
buitengewone gelegenheden te doen. Ongewoonte, eene 
kleeding, die hen van de habitués der mesegit onder- 
scheidt, allerlei andere oorzaken mogen aan die schaamte 
deel hebben, het feit, dat zij er in den regel buiten 
blijven, wordt door iedereen als natuurlijk aanvaard. 
Alleen in tijden van abnormaal opgewekt godsdienstig 
leven wordt dit anders. 

Het moskeepersoneel, vermeerderd met een aantal 
vrijwilligers van het correct godsdienstge leven, bewoont 
de bedehuiswijk, waar die factoren van het Javaausche 
leven, die zich met de Moslimsche wet niet wel ver-^ 
dragen, geweerd worden, waar de gamelan, de 

397 



22 



wajang, de dansmeid geen toegang hebben. Die 
menschen lieeten gezamenlijk de k a o e m, en die wijk 
de p e k a o e m a n, en bewoners van andere wijken, 
die aan den dienst in de moskee plegen deel te nemen, 
worden santri genoemd, welke naam in het bijzonder 
ook de leerlingen der Mohammedaansche godsdienst- 
scholen aanduidt, of op West-Java 1 e b è, welk woord 
tevens als titel van den „dorpsgeestelijke" in zwang is. 
Tezamen noemt men al die lieden, die het ernstig 
nemen met hunne ritueele plichten, poetihan, de 
witten, in tegenstelling met de a b a n g a n, de rooden, 
d. i. de groote massa. Onder de zoogenaamde vrije 
desa's, die door beschikking van vroegere vorsten aan 
het gezag der gewone bestuurshoofden onttrokken zijn, 
vindt men ook de kepoetihan- of poetihan-desa's, 
waar dezelfde regelen heerschen als in de pekaoemans 
"der hoofdplaatsen, waar dus het leven der bevolking is 
gebracht onder de volle tucht der ritueele voorschriften 
van den Islam. In Atjeh heeten op die wijze ingerichte 
dorpen wakeuëh. Over het algemeen is de waar- 
■deering der ritueele godsdienstoefening onder de Indo- 
nesische Mohammedanen slechts matig, hetwelk aan 
oppervlakkige beoordeelaars wel aanleiding geeft tot de 
meening, dat zulke Inlanders slechts in schijn Moham- 
medanen zouden zijn. Deze dwaling is al te dikwijls 
weerlegd om er hier nog uitvoerig bij stil te staan. 
Genoeg zij het te herinneren, dat ook in tal van andere 
Mohammedaansche landen de ijver voor de salat 
zich tot eene minderheid beperkt en dat in allerlei 
andere dingen de gehechtheid der Javanen, Maleiers enz. 
aan hunnen godsdienst ontwijfelbaar tot uiting komt. 
Het vasten (p o e a s a) in de negende maand van 
het Mohammedaansche jaar wordt door een veel grooter 
aantal waargenomen dan de dagelijksche sembahjangs. 
Men hecht er dikwijls de beteekenis aan van eene ver- 
zoening voor het laatst verloopen jaar, en de geluk- 
wensch, dien jongeren aan ouderen, minderen aan 

398 



23 

meerderen brengen na afloop dezer zware onthoudings- 
periode, geschiedt in den vorm van een verzoek om 
vergeving voor al hetgeen zij in dat jaar jegens hen 
mochten hebben misdreven. De bezoeken, die men 
elkaar op dien eersten dag der tiende maand in feestdos 
gaat brengen, herinneren aan onze nieuwjaarsgebruiken, 
en dit feest heet dan ook onder Europeanen dikwijls, 
ten onrechte, ïnlandsch Nieuwjaar. Ook zij, die slechts 
een of meer dagen aan het begin en aan het einde 
der vastenmaand gevast hebben, ja de groote nienigte 
der eigenlijke Javanen, die in het geheel niet vasten, 
nemen aan die feestviering niet minder levendig deel 
dan de vrome betrachters der wet. De bedoeg's 
der moskeeën, die op den eersten Ramadan door- een 
eigen trommelslag der gemeente het intreden der heilige 
maand bekend maakten en die verder elk etmaal het 
begin en het einde der onthoudingsperiode aankon- 
digden, worden gedurende den geheeien laatsten nacht 
dier maand voortdurend geslagen, en het nu hier, dan 
daar ontstoken knetterende vuurwerk verhoogt de leven- 
digheid. In de wet moge deze hariraja poeasa 
het „kleine feest" heeten, in de practijk is hij de groote 
feestdag, terwijl het officieele groote feest op den 
tiende der twaalfde maand (de maand Hadji) aan 
de groote menigte bijna onopgemerkt voorbijgaat. De 
gewoonte om op dezen laatsten feestdag offerdieren te 
slachten is in den Archipel slechts tot enkele plaatsen 
doorgedrongen, en de feestelijke sembahjang verrichten 
slechts enkelen, zoodat deze hariraja hadji alleen 
voor hen een ware feestdag is, die zich dan ter ver- 
richting der bedevaart in het gebied van Mekka be- 
vinden. 

Geldt het vasten bij velen als verzoening voor een 
geheel jaar, het verrichten der bedevaart (hadj^ naar 
Mekka en omstreken, waarmede in den regel een bezoek 
aan het graf van den Profeet te Medina gepaard gaat, 
doet verzoening voor de zonden van het ganschedaar- 

399 



,24 

aan voorafgaande leven. Deze godsdienstpHcht, die 
alleen geldt voor personen, wier middelen, gezondheid 
en andere omstandigheden hun veroorloven, zonder 
bezwaar voor zich of de hunnen de reis te ondernemen, 
verheugt zich in den Archipel in eene zeer groote, 
steeds toenemende populariteit. In de laatste jaren be- 
droeg het aantal deelnemers uit Oost-Indië om en bij 
de 20.000 per jaar, een vierdedeel van alle pelgrims, 
die zich over zee naar het heilige land van den Islam 
begaven. Is iemand gestorven zonder de bedevaart te 
doen, terwijl hij daarvoor door zijne levensomstandig- 
heden wel in de termen viel, dan wordt uit zijne 
nalatenschap, als aan God verschuldigd, eene som afge- 
zonderd om te strekken als loon voor eenen plaatsver- 
vangenden hadji (b a d a 1 h a d j i). Vele zulke geld- 
bedragen 'gaan jaarlijks naar Mekka, waar Mekkanen 
zoowel als te Mekka gevestigde Indonesiërs ze gretig 
tegemoetzien. Gewoonlijk dragen de hadji's na hun 
terugkeer den Arabischen tulband en dikwijls ook verder 
eene min of meer Arabische kleeding. Verder plegen 
de meesten na het volbrengen der bedevaart met zekere 
trouw de ritueele godsdienstoefening te verrichten. 
Vooral vroeger, toen hun aantal nog niet zoo belangrijk 
en in verband daarmee het aanzien, dat zij in de 
Inlandsche maatschappij genoten, veel grooter was dan 
nu, gaf dit alles aan de Europeanen aanleiding ook in 
de hadji's eene soort van priesters te zien, hetgeen 
zij natuurlijk evenmin zijn als de moskeebeambten. 

Minstens even naïef als de meening der hadji's, dat 
hunne reis naar Arabië al hunne verleden zonden zou 
uitwisschen, is het in sommige Europeeschè kringen 
heerschende denkbeeld, dat die Inlanders, die als haringen 
opeengepakt de zeereis naar Djeddah en terug maken, 
die in Arabië bij troepen door belanghebbende pelgrims- 
gidsen van de eene heilige plaats naar de andere ge- 
sleept worden, en eenige weken verkeeren te midden 
van eene onrustige menigte, welker talen zij niet ver- 

400 



25 

staan, geestelijk wedergeboren tot wilde fanatieken naar 
huis terug zouden keeren. Inderdaad is de invloed 
der bedevaart op het geestelijk léven van de massa 
der pelgrims van zeer geringe, zoo al eenige beteekenis. 
Toch heeft de hadj indirect wel degelijk belangrijke 
gevolgen gehad voor het godsdienstig leven der Indische 
Mohammedanen. Telken jare zijn er onder hen, die 
naar Mekka reizen, een aantal jongelieden, die zich 
voor langen tijd in de heilige stad gaan vestigen om 
daar de wetenschappen van den Islam onder leiding 
van Arabische leeraren van naam te beoefenen. De 
kolonie der „Djawa", zooals de Arabieren al die Indo- 
nesiërs noemen, neemt steeds toe in omvang. Velen 
van die studenten keeren later als schriftgeleerden naar 
hun vaderland terug om daar op hunne beurt als 
leeraars op te treden, • en hunne scholen vormen de 
middelpunten, van waar uit de studie der Moslimsche 
wet in haar^ geheelen omvang hare boven aangestipte 
(bladz. 19—20) padagogische werking in allengs wijdere 
kringen uitoefent. In de laatste eeuw vooral is het 
onderwijs aan de Mohammedaansche godsdienstscholen 
in Oost-Indië in steeds toenemende mate naar de te 
Mekka gangbare methoden hervormd. 

§ 6. De beteekenis van dat onderwijs voor het 
geestelijke leven der bevolking fs dikwerf onderschat. 
De kinderen der kleine luiden, met uitzondering van 
de hierboven (bladz. 21) genoemde streken, waar een 
meer opgewekt godsdienstig leven heerscht, blijven 
dikwijls van alle godsdienstonderwijs verstoken ; om dit 
verschijnsel niet verkeerd te verstaan, bedenke men, 
dat het zoo goed als algemeen is in de Mohamme- 
daansche y/ereld. Tot het ontvangen van elementair 
godsdienstonderwijs bestaat in bijna ieder dorp wei ge- 
legenheid, zij het, dat de „dorpsgeestelijke" zich met 
het geven daarvan belast of dat hij dit aan een meer 
deskundige, die daarvoor beschikbaar is, overlaat. De 

401 



26 



jongens, soms ook de meisjes, leeren daar den onbe- 
grepen, Arabischen Qoeran werktuigelijk opdreunen 
volgens de regelen van die kunst, worden soms boven- 
dien geoefend in het verrichten der sembahjang en 
van de rituëele wasschingen, die de voor die godsdienst- 
oefening vereischte reinheid teruggeven aan hen, die 
ze door onvermijdelijke natuurlijke oorzaken verloren 
hebben. Het volledig doorloopen van zulk een cursus 
heet tamat mengadji, en het einde daarvan wordt 
gevierd met een feestelijken, door gebed gewijden 
maaltijd. Vaak wacht men deze gebeurtenis af om dan 
ook de besnijdenis uit te voeren, aan welke operatie 
overigens ook de niet»- onderwezenen onderworpen worden. 
Men hecht hier, gelijk trouwens in de meeste Mos- 
limsche landen, aan de besnijdenis eene hoogere waarde 
dan die de geopenbaarde wet haar toekent. In de 
populaire schatting geldt zij namelijk als eene soort 
van inlijving bij de gemeente, terwijl zij in de wet 
slechts de plaats inneemt van één onder vele voor- 
schriften. Onder de talrijke namen, waarmee men in 
verschillende Inlandsche talen de besnijdenis aanduidt, 
komen ook zulke voor die „reiniging" of „opneming 
in den Islam" beteekenen. Nemen Indonesische heidenen 
den Islam aan, dan vormen gewoonlijk besnijdenis en 
onthouding van varkensvleesch langen tijd hetsjibbolet 
van hun nieuwe geloof^ terwijl zij de rituëele voor- 
schriften overigens geheel veronachtzamen. 

Keeren wij tot het onderwijs terug. Men begrijpt, 
dat er van de Qoeranschool weinig vormende kracht 
voor het leven kan uitgaan. De kinderen worden er 
aan eene zekere mate van orde en tucht gewend en 
doen er cenige bekendheid met Arabische klanken en 
schrift en met uiterlijke vormen van den eeredienst op. 
En wij, merkten reeds op, dat zelfs aan zulk onderwijs 
slechts eene minderheid der kinderen deelneemt. Nog 
veel geringer in getal zijn zij, die voortgezet onderwijs 
in den Mohammedaanschen godsdienst ontvangen. Toch 

402 



27 

telt men die sant ris of m o e r i d s genaamde studenten 
bij tienduizenden, en, daar velen hunner later in hunne 
omgeving als gidsen en voorbeelden worden beschouwd, 
begrijpt men licht, welke krachtige werking hiervan 
kan uitgaan om allengs ook in wijdere kringen ver- 
hoogde belangstelling in de wet van den Islam aan te 
kweeken. 

In groote bevolkingscentra vindt men leeraars, die 
in een bedehuis, in hunne eigen woning of ook in een 
ffzonderlijk gebouwtje hunne leerlingen om zich ver- 
eenigen. Krijgt zulk een goeroe een grooten naam, 
dan gebeurt het wel, dat van heinde en verre jonge- 
lieden zich tijdelijk op zulk eene hoofdplaats vestigen 
om zijne lessen te volgen. Typisch Inlandsch zijn echter 
de scholen op eigen terrein, die als het ware elk een 
afzonderlijk dorpje vormen, waar leerlingen uit allerlei 
landstreken samenwonen om zich onder leiding van 
een of meer goeroes aan de studie te wijden. Op Java 
heeten die inrichtingen pesantrèns (d. i. verblijven 
van santris) en bestaan zij, behalve uit de woningen 
der goeroes met hunne gezinnen, uit pondoks, ge- 
bouwen, die door een gang in het midden in tweeën 
verdeeld zijn, met aan weerszijden een aantal cellen, 
die elk tot slaap- en bergplaats en ook wel tot studeer- 
vertrek voor twee of meer jongens ingericht zijn. In 
iedere pondok fungeert, een oudere leerling of hulp- 
leeraar als 1 o e r a h, handhaver der orde volgens regelen, 
die deels bij overlevering bekend zijn, deels door aan- 
plakking tegen de gangwanden bekend gemaakt worden. 
Het meestal ruime pesantrèn-erf bevat bovendien vaak 
een bedehuis en een lokaal voor de lessen, soms ook 
voorraadschuurtjes voor de rijst, die de gegoede santris 
zelt aanschaffen, de min gegoede in hunne vacantie 
door hulpbetoon bij het oogsten verdienen of afbedelen, 
of die aan de school toevloeien als opbrengst van vrome 
stichtingen (wakap-gronden). 

Dikwijls is de heele school, erf en gebouwen, eene 

403 



28 



stichting, gesproten uit persoonlijk initiatief van vrome 
lieden, of, op Midden-Java, uit de beschikking van 
vroegere vorsten, die geheele desa's ten behoeve der 
instandhouding van zulke scholen vrij (p e r d i k a n ; 
over eene 'andere soort van vrije desa's zie men bladz. 22) 
gemaakt en buiten de gewone bestuursorganisatie met 
hare lasten en verplichtingen gesteld hebben. Het regent- 
schap Ponorogo en andere gedeelten van Madioen, 
verder Soerabaja en Madoera waren vanouds beroemd 
om hun pesantrèns, maar men vindt in tal van andere 
streken op Midden-Java en in den lateren tijd vooral 
ook in de Preanger vele scholen, welker faam die van 
die oude slichtingen in de schaduw gesteld heeft. 
. In Atjèh heeten de inrichtingen van dezen aard 
rangkangs, in Midden-Soematra s o e r a u s ; hare 
organisatie vertoont zekere afwijkingen in bijzonder- 
heden van die der pesantrèns, maar deze vereischen 
hier geene bespreking. In al die scholen worden jonge 
Inlandsche Mohammedanen met behulp eener vaak ge- 
brekkige en omslachtige leerwijze, die bij de begaafden 
toch haar doel weet te bereiken, ingewijd in een grooter 
of kleiner gedeelte van den bekenden middeleeuwschen 
cyclus der Mohammedaansche wetenschappen: de wet, 
de geloofsleer en de mystiek. Als leermiddelen dienen 
gezaghebbende teksten, die uit het Arabisch in eene 
Inlandsche taal zijn vertaald, of de origineelen zelve. 
In dit laatste geval is eene propaedeuse in Arabische 
taalkunde en verwante hulpwetenschappen onmisbaar. 
Vergevorderden beoefenen ook Qoeranexegese, de heilige 
Overlevering en hare verklaring, de theorie van de 
grondslagen der wet en nog meer van die vakken, die 
voor den gemiddelden santri te veel tijd en inspanning 
zouden eischen en waarvan de beoefening tot de weten- 
schappelijke luxe gerekend kan worden. 

De leertijd duurt van twee tot tien en meer jaren, 
al naar het doel, dat de santri zich heeft voorgesteld. 
De lang studeerenden trekken van de eene pesantrèn 

404 



29 

naar de andere om van verschillende wetenschappelijke 
specialiteiten te profiteeren. De besten kunnen het in 
hun eigen land werkelijk tamelijk ver brengen, maar 
de studie te Mekka geldt toch algemeen als het hoogste 
voorrecht, dat den weetgierige te beurt kan vallen. 

De vroeger in ons officieele spraakgebruik gangbare 
aanduiding der santris ofmoeridsals priester- 
leerlingen, der pesantrèns, soeraus enz. als priester- 
scholen berust op dezelfde misvatting, die wij reeds ten 
aanzien van het moskeepersoneel en van de hadjis 
ontmoet hebben. Zij is onjuist, niet alleen omdat de 
ïslam geene priesters kent, maar bovendien omdat de 
hier bedoelde scholen zelfs niet in het bijzonder de 
opleiding tot die functies ten doel hebben, die wij ten 
onrechte als priesterlijk .plachten te beschouwen. Wel 
genieten de meesten, die later een ambt hopen te 
bekleeden waarvoor kennis der Moslimsche wet ver- 
eischt is, gewoonlijk pesantrèn-onderwijs, maar men vindt 
aan die scholen bovendien leerlingen uit alle kringen 
der Inlandsche maatschappij, wier vroomheid hen op 
eene diepere kennis van leer en wet van hunnen gods- 
dienst prijs doet stellen. In den allerlaatsten tijd, nu 
de drang naar modern onderricht in onzen trant in de 
Inlandsche maatschappij zich met voorheen ongekende 
kracht doet gelden en de gelegenheid om dat te ont- 
vangen allengs iets ruimer geboden wordt, is de alge- 
meene waardeering van het pesantrèn-onderwijs aan- 
zienlijk gedaald, maar zelfs onder de Inlandsche bestuurs- 
ambtenaren van zekeren leeftijd, vooral op West- Java, 
zijn er nog verscheidene, die een deel hunner jeugd op 
eene pesantrèn hebben gesleten. Dat dit aan het ver- 
anderen is, mogen wij als eene verblijdende omstandig- 
heid aanmerken, want al heeft het pesantrèn-onderwijs 
;;aanspraak op onzen eerbied als uiting van ernstig gods- 
dienstig geloof, het berust geheel op eene middel- 
eeuwsche beschouwing der menschenwereld, en het heeft 
dierminst de strekking om de zoo gewenschte associatie 

405 



30 

van het Inlandsche leven aan de beschaving van onzen 
tijd in de hand te werken. Het bevordert veeleer het 
verspillen van tijd en scherpzinnigheid aan nuttelooze, 
haarklovende casuïstiek, en het kan bevorderlijk zijn 
aan de aankweeking van onverdraagzame gevoelens 
jegens andersdenkenden, voor welke gevoelens de 
Inlanders overigens gelukkig zoo weinig vatbaarheid 
bezitten. 

§ 7. De millioenen eenvoudige landbouwers, die de 
hoofdmassa der Inlandsche bevolking uitmaken, zien 
met den grootsten eerbied op tegen die geleerde land- 
genooten, die de daareven geschetste scholen bezocht 
hebben, maar hun leven wordt niet door veel van het 
aan die studiën ontleende licht bestraald. De schrift- 
geleerdheid van den Islam legt zich in den regel be- 
rustend neer bij het feit der onvatbaarheid van de 
„schare". Met de moskee is, zooals ons vroeger bleek, 
de aanraking dier eenvoudigen tot enkele officieele 
gelegenheden beperkt. De godsdienstige wijding, waar- 
voor hunne materieele levenssfeer de noodige ruimte 
openlaat, ontvangen zij meest door tusschenkomst van 
dien dorps-godsdienstbeambte, die zelf met beide beenen 
in diezelfde sfeer staat, maar er met zijn hoofd een 
eindje bovenuitkomt. Op West- Java heet hij lebè of 
amil, op Midden-Java modin, kao e m, of nog anders^ 
in Atjeh teungkoe (van de meunasah, het dorps- 
bedehuis en nachtverblijf van ongetrouwde mannen, 
want er zijn ook andere teungkoes), in Midden-Soematra 
malim. Onder andere namen komt hij elders voor, 
en op de Buitenbezittingen omvat zijn functie gewoonlijk 
iets meer dan op Java en Madoera; daar heeft hij 
namelijk een deel der bemoeienissen, die hier aan het 
moskeepersoneel zijn opgedragen, hetgeen bij eene meer 
verspreide bevolking zijne moeielijkheden heeft. 

Hij is de bemiddelaar bij alle aanrakingen zijner 
dorpsgenooten met de moskeebeambten. Waar eene 

406 



31 

d j a k a t-regeling bestaat, is hij de directe inner dezer 
opbrengst en zorgt hij, dat de geïnde rijst, na aftrek 
van het voor het dorp zelf bestemde deel, 'aan de 
hoogere autoriteit wordt afgeleverd. Bij sluiting en 
ontbinding der huwelijken wijst hij den eenvoudigen 
den weg' en geeft omtrent hen de officieel vereischte 
inlichtingen. Bij alle gewichtige gebeurtenissen in 
het leven der familie is hij het, die vóór den naar 
aanleiding daarvan gegeven godsdienstigen maaltijd 
(sedekah, selamatan, kendoeri, ha dj at of hoe 
ook verder genoemd) het onmisbare Arabische gebed 
(d o ' a, d o n g a) uitspreekt ; zoo in verschillende perioden 
der zwangerschap, bij geboorte, bij het afvallen der 
navelstreng, bij besnijdenis, bij huwelijk en sterfgeval. 
Hij leidt de lijkbezorging, zoodat de ritueele reiniging 
van het lijk, de inwikkeling in de lijkwaden en de 
teraardebestelling volgens de voorschriften der wet ge- 
schieden. Zelf houdt hij de dooden-sembahjang, den 
lijkdienst, zouden wij zeggen, en de gebeden bij de 
maaltijden, die behalve op den sterfdag zelf, op den 
3den, 5den^ 7den, lOden, 4osten, loosten, looosten, dag^ 

na den dood en op den jaardag van het sterfgeval ge- 
houden worden voorzoover de nalatenschap de daarmee 
verbonden uitgaven gedoogt. Ook bij godsdienstige 
plechtigheden, die het geheele dorp aangaan, verleent 
hij het ministerie van zijn gebed. Behalve de beide 
officieele feesten van den Islam geeft vooral het alom 
zeer populaire Mauloed-feest (bladz. lo) aanleiding tot 
een gewijd maal; verder de Allerzielenmaand, de achtste 
van het jaar; een of meer door het zonnej aar geregelde 
tijdstippen, waarop Allahs zegen over de zaaiïng en 
den oogst wordt afgesmeekt, en zoo nog een aantal 
plaatselijk verschillende gelegenheden meer. Hij is de 
ritueele slachter van zijn dorp. In het kleine bede- 
huisje, dat in de meeste dorpen wordt aangetroffen (op 
Java langgar of tadjoeg, in Atjeh meunasah, 
elders ook wel mesegit geheeten), gaat hij in die 

407 



32 

streken, waar dé ritueele dienst in wijderen kring be- 
oefend wordt, wel eens in de sembahjang voor of geeft 
bij er ook godsdienstonderricht van de elementaire soort. 
De kennis, die hij voor al die verrichtingen noodig 
heeft, deed hij op gedurende een kort verblijf aan eene 
pesantrèn of door oppervlakkig onderricht van een ander, 
die de pesantrèn bezocht had. Geestelijk gezag, van 
welken aard ook, brengt zijne functie niet mede ; hij 
geldt eenvoudig als de man, die zekere bij godsdienstige 
plechtigheden vereischte vaardigheden bezit, welke ge- 
wone dorpelingen ontberen. Zijn er onder hen, die 
ook gebeden van buiten kennen of het Qoeranreciet 
eenigszins meester zijn, dan laat de beambte zich gaarne 
door dezulken zijne taak wat verlichten, mits hij daarbij 
niet meer dan noodig van de kleine emolumenten derft, 
die aan het werk verbonden zijn. Op zijn advies en 
zijne hulp in zaken, die het volksbijgeloof betreffen, 
wordt menigmaal een beroep gedaan bijv. waar het 
geldt booze invloeden te keeren, waaraan men ziekte 
van mensch, dier of nuttig gewas toeschrijft, of gunstige 
tijden te berekenen voor het beginnen van een werk. 
Op dit terrein heeft hij eenen concurrent in den 
doek o en, die zoo ongeveer doet wat des kwakzalvers 
en wat des waarzeggers is. De „dorpsgeestelijke" en 
de doekoen hebben beiden veelal hun kleine notitie- 
boekje, dat in min of meer leesbaar schrift de ency- 
clopedie hunner wetenschappen in zich bevat. In de 
gebeden, die de eerste bijeengeschreven heeft, komen 
niet zelden tusschen de Arabische formulieren ook 
stukjes voor, die naar Hindoeïsme of oud-inheemsch 
animisme rieken. De vrome, nieuwerwetsche doekoen 
daarentegen stelt er prijs op, dat zijne kwakzalverij een 
rechtzJnnigen indruk make en schermt gaarne met 
Arabische wijsheid. Zoo naderen beider encyclopedieën 
elkaar somtijds, al hebben zij oorspronkelijk elk eene 
eigen bestemming. Beide functies zijn ook wel eens 
in één persoon vereenigd, en anders schaamt menig 

408 



33 

lebè, modinofkaoem zich niet, in sommige wereld- 
sche aangelegenheden den doekoen te raad plegen. 
Er zijn lebès, die behalve het vanbuitenkennen van een 
paar formulieren en wat practische ervaring niets voor 
hebben boven den simpelsten dorpeling ; er zijn er ook, 
die onder de geletterden gerekend mogen worden en 
menige functie in eene moskee zouden kunnen vervullen. 
De vergelijking hunner beteekenis in het dorp met die 
van pastoor of predikant is echter altijd even misplaatst. 

§ 8. De zorg voor de dooden, die zich uit in het 
geven van de daar straks genoemde godsdienstige maal- 
tijden, individueele voor de kort geleden gestorvenen, 
algemeene in de AUerzielenmaand, die zorg vindt men 
nagenoeg in alle Mohammedaansche landen terug. Het 
onder de ongeletterde Moslims van Oost-Indië dikwerf 
daarmee [verbonden denkbeeld, dat de essentie der 
spijzen bij zulke gelegenheden door de dooden zelve 
genoten wordt, is wel als een overblijfsel uit hunne 
vóór-Mohammedaansche periode te beschouwen. Piëteit 
en vrees voor den blijvenden invloed der dooden op 
het lot der levenden zijn bij de Inlandsche dooden ver- 
eering onafscheidelijk verbonden. Bij de eenvoudige 
dorpelingen geldt dat huiverende respect vooral de 
eigen ouders en voorouders en de ware of vermeende 
stichters en voorouders van het dorp. Men is geneigd, 
de oorzaak van een ongeval te zoeken in verzuim van 
de aan zulke dooden verschuldigde zorg of eerbied. 
Alvorens iets gewichtigs te ondernemen gaat men hunne 
graven bezoeken om, naar het heet, hunne vergunning 
te vragen. Natuurlijk doet men hetzelfde ten aanzien 
van zulke dooden, die in den algemeenen roep van 
heiligheid gekomen zijn. Hier valt dan de doodenver- 
eering samen met den heiligendienst, die onder alle 
Mohammedanen, met uitzondering van de alskettersch 
geldende Wahhabieten, het compromis heeft gevormd 
tusschen het geliefde polytheïsme van Vroeger en het 

409 



34 

nuchtere monotheïsme van den Arabischen Profeet. De 
Indonesiërs vereeren de internationaal-Mohammedaansche 
heiligen, voor zoover zij, bijv. door de bedevaart naar 
Mekka, aan het internationale leven deelnemen. Zij 
vereeren verder de wali's, aan welke zij de invoering 
van den Islam in hun land toeschrijven, op Java de 
acht of de negen wali's van de plaatsen aan het 
Noorderstrand, die de oudste zetels van den Islam op 
dat eiland geweest zijn, in iedere geïslamiseerde streek 
een of meer van die wondermannen, die Allah naar 
het Verre Oosten zond om er Zijne laatste openbaring 
bekend te maken. Verder allerlei schutspatronen van 
bepaalde plaatsen, van bepaalde sferen van het mensche- 
lijk leven; eindelijk, ten spijt van de geletterde recht- 
zinnigen, ook levenlooze voorwerpen (boomen, steenen 
enz.), die men als zetels van geesten beschouwt omdat 
hunne aanraking zonder de veréischte voorzorg geacht 
wordt ziekte of dood veroorzaakt te hebben. 

Elke w a 1 i heeft zijne legende, waarin dekaramats, 
wonderteekenen van AUahs bijzondere gunst, de hoofd- 
rol spelen. De wali's bewegen zich door het luchtruim, 
door het water, onder den grond met ongeloofelijke 
snelheid. Hunnen vrienden brengen zij allen zegen, 
hunnen verachters gaat het slecht. K a r a ra a t wordt 
in de Inlandsche talen ook adjectiefgebruikt om iemand 
als wonderwerkend, en dus heilig te kenschetsen. Het 
ontbreekt nooit aan levende personen, die karamat zijn 
en daaraan eene voor hen zeer voordeelige vereering 
danken; vooral van Arabieren, in 't bijzonder wanneer 
zij sajjids of sjeriefen. afstammelingen van den Profeet 
zijn, neemt het lichtgeloovige publiek met graagte aan, 
dat zij bij de gratie Gods wonderen werken, en dit 
bijgeloof is allerminst tot de lagere standen beperkt, 
het komt vaak zelfs bij personen van modern weten- 
schappelijke opvoeding voor. 

De populaire vormen der mystiek, de ook in den 
Archipel zeer verbreide broederschappen of t a r i q a h ' s, 

410 



35 

werken den heiligendienst bijzonder in de hand. Terwijl 
de intellectueele onder de mystieken in zijne bespiegeling 
het middel vindt om zich op de vleugelen zijner 
mystieke droomen te verheffen in de sfeer van het 
Onzienlijke, kan de eenvoudige van geest slechts den 
zoom vasthouden van het kleed van hem, voor wien 
die hoogere wereld hare geheimen ontsloten heeft. 
Voor hem zijn de groote leiders op het pad der mystiek 
in het algemeen, die zijner eigen tariqah in het bijzonder, 
tevens bij uitnemendheid de heiligen, tot wie hij zich 
wendt om hulp in al zijne stoffelijke en geestelijke 
nooden. 

Zonder de hulp der heiligen komt bijna geen Oost- 
Indisch Mohammedaan het leven door. De genezing 
van een geliefden zieke, de wedermin der begeerde 
vrouw, kinderzegen, bescherming van den oogst tegen 
ongedierte, gunstige uitslag van het overgangsexamen 
van een zoon, die de Hoogere Burgerschool bezoekt, 
bevordering van den Inlandschen landsdienaar tot een 
hooger ambt, aanwijzing van een Inlandsch prins tot 
troonsopvolger, al deze en dergelijke uitkomsten hoopt 
tnen van de gunst en voorspraak der heilige hovelingen 
van den Hemelvorst, die zelf te hoog zetelt om Hem 
onmiddellijk met zulke beden te naderen. Het beroep 
op de welwillendheid van den beschermer heeft in den 
regel plaats in den vorm van eene voorwaardelijke 
gelofte (na dar, kaoel, nijjat, enz.) Wanneer de 
wensch vervuld is, zal de heilige dit of dat ontvangen. 
Men zal zijn graf bezoeken en daar Qoeranreciet houden 
of doen houden, of er een offerdier slachten of een 
gewonen gewijden maaltijd geven of iets anders doen, 
waarvan men weet, dat het aan heiligen in het algemeen 
of ook aan dezen patroon in het bijzonder aangenaam 
is. Soms gaat de naïveteit van den eenvoudigen dor- 
peling zoo ver, dat hij iets belooft en ook prsesteert, 
dat door hemzelf hoog gewaardeerd wordt, maar waarvan 
een Moslimsch heilige eigenlijk afkeer behoort te hebben. 

411 



36 

bijv. eene wajangpartij of eeae andere naar den maat- 
staf der wet gemeten zondige vermakelijkheid. De op- 
vatting, die dienen moet om dezen heiligendienst aan 
te passen aan de rechtzinnige dogmatiek : dat men zich 
Allahs gunsteling te vriend maakt door hun goede 
werken met het daaraan verbonden loon na te zenden, 
die opvatting moge aan enkele geletterde bezoekers 
der heiligengraven voor den geest staan, als regel mag 
men gerust aannemen, dat de gelofte en hare vervulling 
uitgaan van de voorstelling des heiligen als bekleed 
met bijna goddelijke macht over dat gedeelte der 
schepping, waarbinnen de vervulling van den wensch 
van den vereerder thuis hoort. Gelijk in bijna de ge- 
heele Mohammedaansche wereld, zoo is ook in het 
Moslimsche Indonesië de heiligenvereering diep door- 
gedrongen. Moest de associatie van het Inlandsche leven 
aan de Westersche beschaving wachten op het opgeven 
van dezen cultus, dan zou men de hoop op haar succes 
voorloopig moeten laten varen : gelukkig is dit' anders,, 
want ook in Westersche beschavingscentra bloeit deze 
naïeve soort van religieus leven nog altijd welig genoegd 
Hoe groot gewicht men van oudsher op Java aan de 
heiligengraven heeft toegekend, kan men o.a. opmaken 
uit de omstandigheden, dat op dezelfde wijze als dit wei- 
ten behoeve van andere godsdienstige instellingen ge- 
schied is (blz. 22, 28) ook voor het onderhoud van eenige 
der oudste astana's of makam's door vroegere 
vorsten bepaalde desa's van het gewone bestuursverband 
geëmancipeerd, perdikan gemaakt zijn. In onder- 
scheiding van de pesantrèn- en de kepoetihan- 
desa's dragen deze den naam vanpekoentjèn-desa's^ 
afgeleid van koentji of djoeroe-koentji, eigenlijk 
„sleutelbewaarder", met welken naam de bewakers van 
zulke graven worden aangeduid. 1 

§ 9. De mystiek werd van den aanvang af door de 
Indonesische Mohammedanen meer gewaardeerd dan de 

412 



37 

ivet, het religieuze denken of droomen meer dan het 
volbrengen van talooze ritueele plichten. De nawerking 
der Hindoeitische periode begunstigde deze geestes- 
richting evenzeer als het feit, dat het Indiërs waren, 
die hier den Islam invoerden. Van de mistiek kan 
men zeggen, dat zij in hare bonte verscheidenheid van 
vormen onder alle klassen der bevolking, haren invloed 
4oet gevoelen. 

De vorm der pantheïstische bespiegeling, die alle 
grenzen wegdenkt, die de gansche verscheidenheid der 
schepping terugvindt in den mensch, die zonder de 
perken der zelfbeschouwing te overschrijden, weet op 
ie klimmen van hetgeen men AUah's werken noemt 
tot Zijne namen. Zijne eigenschappen, Zijn wezen, die 
al spelende met alle begrippen der Mohammedaansche 
wet, der geloofsleer, der ervaringswereld, al die begrip- 
pen weet te doen verstuiven om alleen de volstrekte 
Eenheid van het Zijn over te houden, die alle hulp- 
middelen der taal uitput om tot de ervaring te geraken, 
dat het Eeuwig Werkelijke onuitspreekbaar is, die vorm 
is voor de hoog ontwikkelden. Zulk eene mystiek schrijft 
de overlevering toe aan sommigen van de acht of 
negen wali's van Java, aan Hamzah van Baros, over 
wiens in Noord-Soematra door velen gevolgde leer in 
het begin der 17de eeuw aan het Atjehsche hof leven- 
dige discussie plaats vond. Een van de Javaansche 
wali's Sjeich Lemah AbanG, ging zoover van de 
huiveringwekkende formule: „ik ben Allah" tot zijne 
geloofsbelijdenis te maken; zijne medewali's achtten 
izich dientengevolge verplicht, hem als een tweeden 
Halladj ter dood te veroordeelen, en dit vonnis werd 
aan hem voltrokken. Wonderlijke teekenen wezen echter 
uit, dat hoewel dit vonnis niet anders had mogen 
luiden, de groote mysticus slechts schuldig was aan 
het onthullen van eene waarheid, die indeaardsche 
:sfeer niet tot volle openbaring komen mag. Men be- 
grijpt, dat zij, die Sjeich Lemah Abang niet te slecht, 

413 



38 

maar te groot voor de aarde rekenen, ook licht be- 
zwijken voor de verleiding om zich iets van zijne 
geestelijke ervaring eigen te maken. 

Voor de aanhangers der wettelijk godsdienstige rich- 
ting die in de latere tijden onder den veldwinnénden 
invloed van Mekka en Hadramaut meer ingang heeft 
gevonden, geldt al die diepzinnige wijsheid als de ver- 
foeilijkste ketterij. Dit neemt niet weg, dat zij tot den 
huldigen dag een goed deel van hare populariteit be- 
houden heeft en zelfs onder dezulken, die hare ver- 
breiding in wijderen kring gevaarlijk vinden, groote 
bewonderaars telt. Nu eens heet zij haqiqat, „Hoogste 
Werkelijkheid", dan weer ilmoe martabat toe- 
djoeh, „Leer der zeven graden van het Zijn", waarin 
getracht wordt eene voorstelling te geven van den 
eeuwigen kringloop der emanaties van het Eene Ab- 
solute ; in Atjeh spreekt men van de ilmoe s a 1 i k, 
de „wetenschap van den weg" naar het Allerhoogste. 
Door middel van wijsgeerige voorstelling, van poëtische 
uitbeelding, van negatieve beschrijving poogt men het 
mysterie te naderen; wie het bereikt, vermag alleen 
nog in onvertolkbare glossolalie van zijne geestverruk- 
king blijk te geven. 

Dit mystieke pantheïsme is nooit het voorwerp van 
stelselmatig onderwijs, al geldt de leiding van ervaren 
gidsen als onmisbaar voor hem, die zijn heil nog zoekt. 
Als hulpmiddel voor den opbouw zijner mystieke er- 
varing bestudeert men de werken van hen, die in het 
licht gewandeld hebben. Onder de Arabische boeken, 
die in Oost-Indië dikwijls dezen dienst bewezen hebben, 
neemt het „Boek van den Volkomen Mensch" 
van Abdal-Karim bin Ibrahim Djilani misschien de 
voornaamste plaats in. Men treft van dit werk hand- 
schriften aan, voorzien van interlineaire vertalingen in 
Inlandsche talen, en de notitieboeken van Inlandsche 
beoefenaren der mystiek wemelen van citaten van dezen 
auteur. Maar ook aan andere Arabische en Perzische 

414 



39 ■ 

auteurs is veel van de wijsheid ontleend, die men in 
zulke cahiers bijeengeschreven vindt. Die gemengde 
manuscripten met een sterk individueel cachet, daar zij 
al datgene bevatten, wat de eigenaar wenschte te' be- 
waren voor vergetelheid, die p r i m b o n s, zooals zij 
op Java heeten, vormen de belangrijkste bron onzer 
kennis der locale Mohammedaansche mystiek. 

In het algemeen kan men zeggen, dat de ketterscb- 
mystieke geschriften het meest origineele gedeelte der 
godsdienstige letterkunde van de Indische Mohamme- 
danen vormen. Zeer talrijk zijn de Maleische en 
Javaansche boeken over de wet en over de geloofsleer 
van den Islam, maar die zijn nagenoeg alle uit Arabische 
origineelen vrij houterig vertaald, of compilaties van 
meerendeels letterlijk vertaalde brokken. Dit mag ook 
niet anders, want op het gebied der wet en de geloofs- 
leer geldt de persoonlijke ervaring voor niets, en komt 
alles aan op de zuiverheid der overlevering. De gewijde 
geschiedenis van de wereldschepping af leeren de In- 
landers kennen uit boeken, die deels uit het Arabisch, 
deels uit Indische origineelen voor hen bewerkt zijn, 
en hetzelfde geldt van de heiligenlegenden en van de 
meeste andere stichtelijke litteratuur. In de mystiek 
daarentegen verkrijgt zelfs het overgeleverde eerst 
waarde, wanneer het individueel beleefde ervaring ge- 
worden is, en zijn de uitingen van nieuwe ervaring niet 
aan oude vormen gebonden. Hamzah van BAROS gaf 
in Maleische gedichten, die in vorm origineel waren, 
onder meer andere symboliek de 'op mystiek gebied 
welbekende voorstelling der verhouding van den Mensch 
en God met aan de aardsche erotiek ontleende beelden. 
In het Javaansch en in het Maleisch wemelt het van 
verhandelingen, die in een eigen vorm de emanatie- 
reeks, de eenheid van God, mensch en wereld, den 
dieperen zin van de gebruikelijke theologische termen 
en formules ontwikkelen. De meestal in dichtmaat ge- 
stelde verhalen over de acht of negen wali's van Java 

415 



40 

vooral geven eene rijke bloemlezing van mystieke 
theorieën, en deze soort van litteratuur is dan ook 
onder den aan de terminologie der mystiek ontleenden 
naam soeloek bekend. Dezelfde onderwerpen worden 
i vaak behandeld in wawatjans, gedichten, die be- 
stemd zijn om des avonds tot tijdkorting in familie- of 
vriendenkring voorgezongen te worden. 

Op het in moderne scholen gevormde verstand maken 
die producten van Oöstersche diepzinnigheid een zonder- 
lingen indruk. Naast bespiegelingen van Neo-Platonische 
afkomst, zooals die door den Arabischen trechter over 
de Moslimsche wereld verspreid zijn geraakt, bevatten 
zij de meest abstruse combinaties en vergelijkingen en, 
intellectueel gesproken, de meest belachelijke ongerijmd- 
heden. De eenheid van het Zijn vindt men er geïl- 
lustreerd door de opsomming van verschillende vier- 
tallen, die telkens één begrip vertegenwoordigen, bijv. 
vier windstreken, vier extremiteiten van het mensche- 
lijke lichaam, vier ware chaliefen, vier stichters der 
orthodoxe s.cholen, vier soorten van eigenschappen Gods, 
de vierheid van Allahs wezen, eigenschappen, namen 
en werken, enz. enz., al hetgeen dan de voorstelling 
moet opwekken, dat al die viertallen slechts in naam 
verschillen, doch reëel één zijn, en zoo aanschouwelijk 
moet helpen maken, dat de hoogste realiteit eene vol- 
strekte eenheid is. 

Nog aanschouwelijker komen deze denk- of droom- 
beelden tot uitdrukking in teekeningen, die voor emana- 
ties cirkels zonder en met punten en lijnen in de plaats 
stellen, of die in ruwe afbeeldingen van het mensche- 
lijk lichaam met uitvoerige bijschriften, welke de ver- 
schillende factoren van het geschapen en ongeschapen 
heelal in lichaamsdeelen localiseeren, eene materieele 
uitdrukking geven aan de vaak herhaalde mystieke uit- 
spraak: „wie zichzelf kent, kent zijnen Heer", soms 
aangevuld met die andere: „wie zijnen Heer kent, kent 
geen zelf meer". Er is dan, zoo leest men dikwijls, 

416 



41 

geen aanbidder meer en geen aangebedene; in het 
gelouterde menschelijke bewustzijn kent en aanbidt 
Allah zichzelf. De geloofsbelijdenis, de catechismus, 
het kort begrip der dogmatiek, de voornaamste hoofd- 
stukken der wet worden door deze mystieken met 
behulp eener aan niets gebonden interpretatie omgezet 
in uitdrukkingen der pantheïstische eenheidsleer, die 
het gewone monotheïsme der menigte als eene soort 
van heidendom beschouwt. 

Voor intellectueel minder ontwikkelde heilbegeerigen, 
die toch op hunne wijze aan deze mystiek deel willen 
hebben, heeft men korte catechismen, waarin de hoofd- 
zaken dezer leer in den vorm van vragen en antwoorden 
behandeld worden. In vele kringen doen deze tractaatjes 
den dienst van zaligmakende formules, die men van, 
buiten leert om zeker te zijn van het hoogste heil; ja, 
men gaat wel zoover, dat men voor hen, wier geheugen 
zoo'n catechismus niet kan bevatten, hét bezit van een 
papiertje, waarop de vragen en antwoorden geschreven 
staan, voldoende acht. Die onderwijzing der hoogste 
waarheid wordt aldus gedegradeerd tot amulet voor 
alle doeleinden, en gelijke kracht schrijft men toe aan 
papiertjes met de zooeven genoemde teekeningen met 
bijschriften, die onder den algemeenen naam van 
d a ë r a h 's (eigenlijk „kringen", „cirkels") ook door 
analphabeten op hoogen prijs gesteld worden. 

§ 10. In de t a r i q a h 's of mystieke broederschappen 
wordt de mystiek volgens bepaalde, aan de stichters 
dier orden toegeschreven methoden onder leiding van 
daartoe bevoegde sjeichs of kalipah's (chalifah's) 
binnen het bereik der heilbegeerigen gebracht. In de 
i6<ie en 17de eeuw was het bovenal de tariqah der 
Sjattarijjah, die door enkele Maleische en Javasche 
pelgrims uit Medina meegebracht en met veel succes 
in den ïndischen Archipel verbreid werd. Kettersch 
was deze tariqah niet, maar bij hare verspreiding, vooral 

417 



42 

op Java en Soematra, nam zij dikwijls plaatselijk veel 
van de boven beschreven kettersche beschouwingen en 
ook veel populair bijgeloof in zich op. Zoo komt het, 
dat onder den naam van Sjattarijjah zeer uiteenloopende 
nuances van kettersche en rechtzinnige mystieke devoties 
in zwang zijn gekomen en nog steeds zijn gebleven. 
Naarmate de studie van wet en geloofsleer in Indië 
onder Arabische invloeden hervormd werd, werden langs 
dienzelfden weg ook andere tariqah's, vooral uit Mekka, 
ingevoerd. De Qadirijjah, de Naqsjibandijjah, de Sjadi- 
lijjah, en ook latere, zooals de Sammanijjah zije in de 
laatste halve eeuw vooral door tal van goeroe's ver- 
tegenwoordigd en tellen hare aanhangers bij tienduizen- 
den. De bewering, dat ook de in Noord- en Centraal- 
Afrika zoo invloedrijke tariqah der Sanoesijjah in 
Nederlandsch-Indië aanhangers zou hebben, is teeenen 
male ongegrond ; zij moet op een of ander misverstand 
berusten. In wezen onderscheiden die andere tariqahs 
zich niet van de Sjattarijjah, maar zij hebben zich weten 
te bewaren voor de vermenging met haeresie en super- 
stitie, waardoor de zooveel vroeger ingevoerde Sjatta- 
rijjah bij de rechtzinnigen in slechten reuk is gekomen. 
Wel zijn vele strenge wetgeleerden ook jegens de 
Qadirijjah, de Naqsjibandijjah, enz. niet sympathiek 
gezind, maar hun tegenzin betreft dan niet zoozeer de 
tariqah's zelve, hare leer of hare methode van devotie, 
doch meer de in hun oog twijfelachtige bevoegdheid 
van degenen, die als goeroe's optreden, en de over- 
bodigheid of zelfs onwenschelijkheid van hare verbreiding 
onder eene bevolking, welker bekendheid met en be- 
oefening van de gewone voorschriften der Mohamme- 
daansche wet nog zooveel te wenschen overlaten. 

§ II. De zuiverst rechtzinnige mystiek, zooals de 
Moslimsche kerkvader Ghazali die in zijne „Levend- 
making der Wetenschappen van den Gods- 
dienst" heeft uiteengezet, en die in wezen neerkomt 

418 



43 

op eene hoogere ethiek, op de aankweeking van die 
gezindheden en eigenschappen van het geloof eerst hare 
waarde voor het andere leven ontieenen, ook die wordt 
in den Indischen Archipel met belangstelling beoefend. 
Voor deze studie vindt de leerling leiding in de 
pesantrèns, soeraus, enz., waar de beste goeroe's ook 
werken als die van Ghazali verklaren. Als een van de 
vele bewijzen der waardeering, die deze groote encyclo- 
pedist der theologie ook in Indië geniet, vermelden 
wij de Maleische vertaling van zijn daarstraks genoemde 
hoofdwerk door een Palembangschen geleerde, welke 
vertaling vroeger in handschriften in den Archipel veel 
verbreiding vond en nu reeds meer dan eens in druk 
is uitgegeven. De vertaler, Sjeich Abdoessamad, die in 
de tweede helft der i8de eeuw verschillende werken 
in het licht gaf, was tevens een ijverig aanhanger en 
verbreider der tariqah Sammanijjah, waaruit men zien 
kan, dat de beoefening eener speciale devotie geens- 
zins in strijd geacht wordt met ernstige studie dier 
mystiek, die in den cyclus der wetenschappen van den 
Islam is opgenomen. De overlevering, volgens welke 
Mohammed gezegd zou hebben, dat tasawoep (uit 
het Arabische tagawwoef, beoefening der mystiek) 
zonder kennis der goddelijke wet als ketterij te be- 
schouwen is, maar dat de mystiek onontbeerlijk is om 
de kennis der wet vruchtbaar te maken, die overlevering 
is ook bij de Oost-Indische rechtzinnigen algemeen 
bekend. 

§ 12. Daar de Islam behalve het individueele, het 
huiselijke, het maatschappelijke, ook het staatkundige 
leven zijner belijders, in theorie althans, geheel voor 
zich opeischt om het niet naar algemeene beginselen, 
maar met gedetailleerde voorschriften te besturen, heeft 
de Mohammedaansche belijdenis eener bevolking voor 
hare bestuurders ook hare politieke beteekenis, vooral 
wanneer de bestuurders niet-Mohammedanen zijn. Het 

419 



44 

stelsel van den Islam heeft immers zijn vasten, defini- 
tieven vorm aangenomen in de middeleeuwen, toen in 
geheel de beschaafde wereld het staatkundig leven in 
hooge mate door de godsdienstige verschillen beheerscht 
werd, Gewetensdwang in eigen kring, vijandschap naar 
buiten behoorden toen tot de krachtigste motieven van 
het handelen der groepen, waarin de menschheid ver- 
deeld was. In de Westersche wereld liet men zich door 
die motieven leiden zonder ze ooit tot eene voor alle 
eeuwen geldende theorie te verheffen; later zag men 
zijne dwaling in, en -langzamerhand bekeerden zich alle 
beschaafde staten tot de^^leer der volstrekte gewetens- 
vrijheid, al kost de toepassing zelfs nu nog aan velen 
groote moeite. In het gebied van den Islam noopte de 
eigenaardige ontwikkeling der wetgeving, die zich re- 
geling van alle dingen op grond van goddelijk gezag 
tot doel had gesteld, tot het kanoniseeren der middel- 
eeuwsche practijk. Van daar, dat het voor Mohamme- 
daansche landen zoo uiterst moeilijk is geworden, de 
formule te vinden voor hunne normale deelname aan 
het internationale wereldverkeer. 

Met of zonder zulk eene formule is het voor eiken 
staat, die Mohammedaansche onderdanen heeft, van 
het hoogste belang, zijne verhouding tot jhen te regelen 
op eenen grondslag, die duurzaamheid belooft. Neder- 
land verkeert te dezen aanzien in eene bijzonder gunstige 
positie. De Nederlandsch-Indische Mohammedanen zijn 
betrekkelijk laat in de gemeenschap van den Islam op- 
genomen, zonder toedoen van eenige centrale Mohamme- 
daansche staatsmacht, en de afgelegenheid van hun 
gebied heeft ook hunne verdere ontwikkeling buiten 
zulken invloed gehouden. Van neiging om zich te stellen 
onder dé hoede van het Turksche chalifaat heeft men 
in den Archipel slechts bij zeldzame exceptie iets be- 
speurd, en de tegenwoordige politieke omstandigheden 
zijn zoo ongunstig mogelijk voor het opkomen van zulke 
verlangens. Eeuwenlang verkeer met volken van zeer 

420 



45 

uiteenloopende lichamelijke zoowel als geestelijke eigen- 
aardigheden heeft bij de meest beschaafde deelen der 
bevolking van Oost-lndië eene mate van geestelijke be- 
scheidenheid aangekweekt, die bij de geestelijke laat- 
dunkendheid van velen, die daar de Europeesche cul- 
tuur vertegenwoordigen, allergunstigst afsteekt, juist in 
onze dagen ontwaakt onder de Indische Mohammedanen 
het bewustzijn van wat hun ontbreekt om in het wereld- 
verkeer de plaats te kunnen innemen, die hun aanleg 
voor hen bereikbaar maakt. Gaarne aanvaarden zij ter 
aanvulling van die leemten onze leiding in den zin van 
onderwijs en opvoeding, wanneer deze gegeven wordt 
zonder de voorwaarde, dat zij aan hunne oude heiligen 
den rug moeten toekeeren om de onze, of neen: die 
van sommigen onzer te gaan vereeren. Aan de grootsche 
taak, die ons nationale verleden ons aldus ter vervulling 
voorlegt, kunnen alle groepen van ons volk, elk op 
hare wijze medewerken, mits zij allen het hierover eens 
worden, dat daarbij nu eens aan alle kerkelijke, on- 
kerkelijke, politieke of andere bekrompenheid het zwijgen 
opgelegd moet worden. 

Meer dan jammerlijk zou het zijn, als zelfs hiervoor 
Nederland eene nationale synthese onmogelijk bleek! 



^PB-355Ö"'904 



1 ,. I..1 



."* i • 



5' 






CC 



■ i llji